Smient, fluitende wintergast.
Smient, fluitende wintergast.

Het is een koele, zonnige winterdag met zeven graden, windkracht twee en een helder blauwe lucht.

Op wandeling door de Hekslootpolder blijkt wintergast smient nog volop aanwezig. 's Zomers broeden ze in Scandinavië, maar overwinteren doen ze graag in Nederland of nog wat zuidelijker. Ze zijn dan in grote groepen te zien, vooral op graslanden langs de kust, waar ze net als ganzen grazen.

De smient heeft een korte, grijze snavel. Het mannetje herken je aan de oranjerode kop met een gele voorhoofdstreep. Onder de kop is de borst zalmroze. Naar achter toe komen de grijze onderdelen en de staart is zwart. Vrouwtjes zijn grotendeels bruin.

Opmerkelijk is het geluid dat met name door het mannetje wordt geproduceerd: een heel kenmerkend, verdragend gefluit: ’piiew’. Dat heeft ze de bijnaam van fluiteend opgeleverd. Het vrouwtje laat zich horen met een meer binnensmonds 'rarr'.

De smient wordt gerekend tot de grondeleenden, omdat ze hun voedsel ook aan het oppervlak van ondiep water zoeken of daaronder. Dat onder het wateroppervlak voedsel zoeken heet grondelen; dat doen ze niet echt door te duiken, maar door voorover te kantelen, zodat het achterlichaam rechtop uit het water steekt en kop en hals onder water verblijven.

Verbazingwekkend is dat ze in één keer, dus zonder aanloop, schijnbaar moeiteloos uit het water op kunnen vliegen.

Ten tijde van de vogelgriep in 2014 bleken enkele smienten drager van het virus, maar dat ze de verspreiders zouden zijn is niet vastgesteld.

De lente, die astronomisch gezien begint als dag en nacht even lang zijn, is niet meer ver weg. De smienten zullen dan fluitend noordwaarts keren.